Skip to content

‘Fijn dat je het ter sprake brengt’

“Ze is naar het ziekenhuis verwezen door de huisarts, omdat ze op het toilet onwel werd en veel bloedverlies had”, vertelt mijn collega me geschrokken. De vrouw waarover ze vertelt, is een minuut of tien eerder met de ambulance opgehaald en naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis gebracht.

Het is een vrouw van pak ‘m beet 80 jaar. Ze heeft mengbeeld dementie sinds een jaar en heeft hierdoor flink ingeleverd. Daarnaast is haar eetlust sterk verminderd en boert ze haar eten en medicatie regelmatig op. Het vermoeden bestaat dat dit komt door een onderliggend ziektebeeld, wat mogelijk ook wel de bloeding veroorzaakt waardoor ze onwel werd.

Na enkele uren word ik door het ziekenhuis gebeld met de mededeling dat ze onderweg is naar huis en of de thuiszorg vanavond weer opgestart kan worden. Ik vraag aan de transferverpleegkundige wat er in het ziekenhuis precies is gedaan en/of geconstateerd. “Niks, mevrouw en haar dochter wensen geen belastend darmonderzoek, dus we hebben niks voor haar gedaan hier”, is het antwoord dat ik krijg.

Ik besef me dat ik als wijkverpleegkundige mogelijk beter had kunnen handelen. De palliatieve fase had eerder gemarkeerd kunnen worden. De familie had namelijk eerder al onderling afgesproken, samen met mevrouw, om geen belastende onderzoeken meer te starten. Echter was dit niet gecommuniceerd met de huisarts en/of met het thuiszorgteam. Als dit eerder door de huisarts, de thuiszorg en de familie was gecommuniceerd, had een ziekenhuisopname voorkomen kunnen worden.

Ik bel met de huisarts om te overleggen over het markeren van de palliatieve fase. De huisarts is het helemaal met me eens en geeft aan dat wanneer we de vrouw onverwachts mochten vinden, dat reanimatie medisch zinloos is. Prettig zeg, dat de huisarts en ik zo hierin zo makkelijk kunnen samenwerken. Ze geeft me ook haar privé-nummer, “voor als er ooit iets is”. Makkelijk om de lijntjes zo kort te kunnen houden.

Vervolgens neem ik contact op met de dochter van de vrouw en vraag ik of ze zich hierin kan vinden. Het is voor mij een lastig gesprek, waarin ik aangeef dat er geen actieve behandeling of onderzoek meer zal worden toegepast, tenzij het een dermate grote invloed heeft op de kwaliteit van leven. De dochter pakt het heel positief op en geeft meteen aan fijn te vinden dat ik dit aankaart. Ze is het er volledig mee eens. Na ons gesprek verwerk ik de afspraken in het dossier van mevrouw, zodat het hele team op de hoogte is.Enkele weken later word ik door een collega gevraagd om het gewicht van mevrouw te bekijken en hiervoor een beleid op te stellen. Ze is in een jaar tijd ruim twaalf kilo afgevallen, waarvan twee kilo in de laatste drie weken. Ik leg de vraag terug bij mijn collega: “wat zou jij doen?” Ze heeft er geen duidelijk antwoord op, maar een optie zou zijn om het aan de huisarts voor te leggen. Ik stuit op onbegrip als ik vertel dat de huisarts hier niks mee zal gaan doen. Ik snap haar redenering wel. Echter is afgesproken om geen actieve behandeling meer op te starten, waardoor de optie om bijvoorbeeld voeding via een sonde toe te dienen, vervalt. Hierdoor zie ik geen meerwaarde om direct de huisarts te bellen over de gewichtsafname; het past binnen het afgesproken palliatieve beleid.

Uit de vraag van mijn collega haal ik ook dat het voor haar niet heel duidelijk is wat het palliatieve beleid precies inhoud. Terminale zorg, dat blijkt ondertussen een goed bekend begrip te zijn, waarin mijn collega’s erg thuis zijn. De levensfase hiervoor, de palliatieve fase, is minder goed bekend. Wat houdt deze in? Wat doe je als verzorgende of verpleegkundige anders dan normaal?

In het teamoverleg geef ik mijn team hierover een scholing, waarna er meer begrip is voor de keuze van mevrouw, haar familie en het ziekenhuis om geen onderzoek of behandeling meer uit te voeren. De palliatieve fase staat hierdoor binnen ons team meer op de kaart, waardoor we in staat zijn om met meerdere disciplines de best mogelijke zorg te leveren in deze levensfase voor onze cliënten.

Dit is wat mijn werk als wijkverpleegkundige zo leuk en uitdagend maakt. Enerzijds de zorg voor de cliënten en het systeem van de cliënt, anderzijds verantwoordelijkheid dragen voor de deskundigheidsbevordering binnen het team. Ik ben trots op mijn werk, maar nog veel meer op het team waarvan ik deel uit maak. Het team dat dagelijks de best mogelijke zorg wil leveren voor de (voornamelijk) ouderen in de dorpen waar we werkzaam zijn. Zorg die het verschil maakt, zeker in de laatste levensfasen.

 

Heb je na het lezen van mijn blog toch kriebels gekregen om te gaan werken of een keer mee te lopen in de (thuis)zorg? Super, je bent altijd van harte welkom!

Neem eens een kijkje bij op website met de actuele vacatures in de mooiste en meest huiselijke sfeer van Brabant: werken in de (thuis)zorg.

 

Foto: © Ron Hendriks

4 Comments Post a comment
  1. Joke #

    Jelle wat een mooi verslag weer van je passie wat tevensd jou werk is. Ik lees je verslagen al reageer ik niet altijd. En inderdaad mag en kan je trots zijn op wat je doet en in samenwerking met div. instanties.
    Succes met alles en ik blijf je volgen.
    Lieve groet JokeTimmermans

    17 augustus 2018
    • jellereijngoudt #

      Leuk om te horen Joke! Dankjewel! Voel je vrij om te reageren waar je wilt 🙂

      Groetjes, Jelle

      17 augustus 2018
  2. Wilona #

    Echt een spin in het web! Mooi beschreven en wat een prachtig beroep hebben we. Mooi ook hoe je beschrijft dat er naar het ziekenhuis meer duidelijkheid had moeten zijn. Je neemt het mee als aandachtspunt voor de volgende keer, het blijft toch mensenwerk. Je probeert het zo goed mogelijk te doen meer kan je niet. Dat wordt wel eens van ons verwacht en dat is niet terecht.

    17 augustus 2018
    • jellereijngoudt #

      Helemaal mee eens! We doen wat we kunnen, en hieruit leren we ook voor de toekomst!

      17 augustus 2018

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: